In Zonder fanfare doet Philip Hoorne wat hij als geen ander kan: mensen betrappen op hun mens-zijn. Een buurman kampt met friemelproblemen en een verstopt visioen. Een inbreker krijgt spijt en keert terug. Billy slaapt op zijn dertigste nog tussen zijn ouders. En wanneer chocolade ophoudt te bestaan, is de ontreddering compleet.
Philip Hoorne schrijft over verlangen, ouder worden, geloof, intimiteit, dood, eenzaamheid, oorlog, familie, werk, technologie, consumptie en de merkwaardige manieren waarop mensen zichzelf en elkaar verdragen, ontlopen, beminnen en verkeerd begrijpen. Daarbij neemt Hoorne ook zichzelf op de korrel. Zonder fanfare is tegelijk licht en donker, laconiek en schrijnend, herkenbaar en volslagen vreemd.
Na 25 jaar dichterschap mag Philip Hoorne tot de boeiendste dichters van zijn generatie worden gerekend. Met Zonder fanfare bevestigt hij zijn unieke plaats in de Nederlandstalige poëzie.
Het mooist is het gedicht dat nog geschreven moet worden, keer op keer. Wil het overbruggen? Kan taal overbruggen? Is liefdespoëzie niet, behalve eenrichtingsverkeer, eigenlijk louter het bespelen van het instrument taal? In de bundel Luchtgedragen wordt geen muze bezongen, maar De Ander opgevoerd als tegen speler in een spel van de innerlijke stem. Het zijn monologen met een verzonnen ander: een construct.
Gesprekspartners zijn net als de bomen aan weerskanten van een lange laan die doen alsof ze in de verte samenkomen. Van de evenwijdige lijnen die de woorden vormen is het snijpunt in het hoofd van de ander altijd denkbeeldig. Zonder vertrouwen wordt de oversteek op de wankele brug van taal beheerst door de vrees voor het holle woord.
Het snijpunt bevindt zich in het vierkantje van de verbeelding: hol, vol van ruimte, een vindplaats om in te zoeken.
In zijn debuutbundel verdiep A.E. Westerling zich in zijn eigen creatieve proces en dat van andere kunstenaars, dichters, denkers, muzikanten en iedereen die de nood voelt om te creëren. Hij analyseert hoe makers werken, hoe ze omgaan met twijfel en angst, hoe ze zichzelf sturen en wat kunst kan betekenen voor zowel de maker als het publiek.
Doorheen de teksten wordt duidelijk hoe beperking net ruimte kan openen. Schaarste en traagheid worden geen obstakels maar voorwaarden voor intensiteit en scherpte. Onder de zichtbare vormen schuilen bovendien vaak onuitgesproken structuren en onderlagen die het werk dragen en tegelijk aan het zicht onttrokken blijven.
Ook identiteit en stem worden voortdurend verschoven en bevraagd. Het 'ik' blijkt geen vaste kern maar een reeks tijdelijke posities, maskers en breuken die taal en ervaring telkens opnieuw organiseren. Ruimte en beweging spelen daarbij een even belangrijke rol. Dwalen, omwegen en verschuivingen in omgeving werken door in het denken zelf en maken andere vormen van inzicht mogelijk. Zo wordt de bundel tegelijk reflectie en praktijk, een poging om creatie niet alleen te beschrijven, maar in taal zelf te laten plaatsvinden.
Met een zintuiglijke, beeldrijke taal schrijft Annika Cannaerts poëzie die onderhuids werkt, beklemmend en onontkoombaar, maar ook teder en helder. In een universum van sneeuwbollen, ziekenhuiskamers, dierenlichamen en huislijke interieurs valt identiteit steeds opnieuw uiteen, terwijl herinneringen zich herschrijven als een tweede huid. Haar gedichten bewegen zich op de breuklijn tussen verlangen naar geborgenheid en de drang om te verdwijnen. Woorden worden materiaal dat een lichaam bijeenhoudt wanneer alles dreigt te verschuiven. Deze bundel verkent het moment vlak voor iets breekt, waar controle en ontregeling tegelijk bestaan, en waar een lichaam transformeert, van object naar stem.
Blijvend warmte ontginnen uit de wortels van je huiselijke nest kan noodzakelijk blijken om door de duisternis te waden.
In de woelige wereld presenteert elke dag zich als druk. Soms zelfs drukkend. De mensen met hun rumoer en hun dagelijkse dingen, van luid naar innerlijke stilte, van vrolijk naar minder soms. Het stroomt aan persoonlijke leven voorbij. De dichter Hans Van Miegelbeek laat de lezer van deze dichtbundel halt houden. Met rake observaties in heldere beeldtaal houdt hij subtiel de mensen, hun zorgen, hun biotoop tegen het licht. De dichter laat ons kijken met zijn ogen. De gedichten zijn vaak kleine levendige tafereeltjes. Daar even mogen bij verwijlen kan een oproep zijn tot reflectie of een aangenaam verpozen. Vind uw rustpunt in dit origineel debuut.
- Annemie Deckmyn
